Explosieveiligheid is in de procesindustrie geen nieuw onderwerp, maar wel een onderwerp dat veel organisaties structureel onderschatten. Een explosie kan in de eerste plaats ernstige gevolgen hebben voor medewerkers die in de buurt werken, en daarnaast leiden tot productiestilstand, schade aan installaties en reputatieverlies. Daarbij is naleving van de ATEX-richtlijnen een onderwerp waar zowel de Nederlandse Arbeidsinspectie als verzekeraars steeds meer aandacht aan besteden.
Jules Pleijsier, ATEX-specialist bij atexwinkel.nl, deelt vijf fouten die in vrijwel elk bedrijf met explosiegevaarlijke zones terugkomen. Stuk voor stuk zijn ze te voorkomen, mits je weet waar je op moet letten.
1. Verkeerde equipment-categorie kiezen voor de zone
De meest gemaakte beginnersfout. Een veel voorkomende denkfout is dat een apparaat met het ATEX-logo overal in een ATEX-zone gebruikt mag worden. Dat klopt niet. Wat telt is de equipment-categorie, en die moet matchen met de zone.
Een snelle herinnering aan de matrix:
- Zone 0 vraagt categorie 1G
- Zone 1 vraagt categorie 2G of strenger
- Zone 2 vraagt categorie 3G of strenger
- Voor stof geldt hetzelfde: Zone 20 = 1D, Zone 21 = 2D, Zone 22 = 3D
Een tablet met categorie 3G is dus niet toegestaan in Zone 1, ook al staat er “ATEX” op het label. Bij inkoop loont het om de complete markering te lezen en niet op het ATEX-logo alleen te varen. Vraag bij twijfel om de EU-conformiteitsverklaring en check de Ex-markering tegen het zone-overzicht van de installatie.
2. Zone-classificatie te ruim of te krap maken
Zone 0, 1 en 2 voor gassen en dampen. Zone 20, 21 en 22 voor stof. In theorie helder, in de praktijk gaat het hier vaak mis. Sommige bedrijven kiezen ervoor alles als Zone 1 te bestempelen om extra veilig te zijn, met als gevolg dat er onnodig dure ATEX-apparatuur wordt ingekocht voor zones waar dat niet hoeft. De omgekeerde fout is gevaarlijker: een zone te krap inschatten om kosten te drukken, of te kort over de duur en frequentie van explosieve mengsels te denken. Dat is wettelijk niet correct en kan bij een incident een directe oorzaak van escalatie zijn.
De juiste route is een gedegen risicobeoordeling volgens NEN-EN-IEC 60079-10-1 (gassen en dampen) en 60079-10-2 (stof), met een eerlijke inschatting van concentratie, duur en frequentie. Belangrijk daarbij is dat de classificatie wordt uitgevoerd door een onafhankelijke partij, dus niet door de leverancier of fabrikant van de apparatuur en ook niet door een interne medewerker met productiebelangen. Bij eerste aanleg of na grote proceswijzigingen is een externe expert nodig om te voorkomen dat commerciele of operationele belangen de classificatie kleuren.
3. Het Explosieveiligheidsdocument als eenmalig rapport behandelen
Het Explosieveiligheidsdocument (EVD) is een wettelijke verplichting onder het Arbobesluit. Binnen veel bedrijven wordt dit document ooit door een consultant opgesteld, en soms blijft het daarna langer dan goed is in een ordner liggen. Het risico ontstaat zodra het proces verandert: een nieuwe machine, een ander oplosmiddel, een gewijzigde productieroute. Vanaf dat moment kan het EVD niet meer volledig kloppen met de werkelijkheid op de werkvloer.
Bij een inspectie of na een incident is het belangrijk om aan te kunnen tonen dat het EVD up-to-date is. Een praktische oplossing is het EVD koppelen aan het Management of Change-proces: elke wijziging triggert een review. Op die manier blijft het document leven met de installatie.
4. Periodieke inspecties oppervlakkig uitvoeren of overslaan
NEN-EN-IEC 60079-17 vereist periodieke inspectie van alle elektrische installaties in ATEX-zones. In de praktijk wordt dit soms gereduceerd tot een visuele controle en een vinkje, zonder werkelijke meting van aarding, kabelintegriteit of dichtheid van behuizingen.
Een goede inspectie wordt uitgevoerd door iemand met bekwaamheid op Ex-niveau (in Nederland typisch Ex01 tot Ex04, internationaal IECEx CoPC), volgt een gedocumenteerd schema en levert een rapport dat in het ATEX-dossier wordt opgenomen. Een visueel-vinkje-rapport zonder onderbouwing houdt zelden stand bij een ongevallenonderzoek of een audit.
5. Stof onderschatten ten opzichte van gas
ATEX wordt door veel mensen automatisch gelinkt aan gassen en dampen: raffinaderijen, chemieparken, brandstofopslag. Maar stofexplosies komen minstens zo vaak voor en worden in de praktijk vaak onderschat. Incidenten in meelverwerking, melkpoederfabrieken, hout- en plasticverwerking, zowel klein als groot, komen ook in Nederland voor.
Drie aandachtspunten op dit vlak:
- ATEX-zonering wordt wel toegepast in de procesruimte, maar niet altijd op aangrenzende ruimtes waar stof zich kan ophopen zoals filterinstallaties, opvangbakken en transportlijnen.
- Filterinstallaties zijn niet altijd voorzien van de juiste explosiedrukontlasting of suppressiesystemen.
- Reiniging gebeurt soms door wegblazen met perslucht in plaats van afzuigen, waardoor juist een explosieve stofnevel wordt gecreeerd op het moment dat mensen denken de zone schoner te maken.
Wie met explosiegevaarlijk stof werkt, kijkt naar zowel het stofnevel-scenario (Zone 20/21/22) als naar de stoflaag op apparatuur, met aandacht voor de maximale oppervlaktetemperatuur (T-klasse) van alle componenten in de zone.
Tot slot
Explosieveiligheid is een onderwerp dat blijft vragen om aandacht, juist omdat de risico’s makkelijk over het hoofd worden gezien als ATEX niet je dagelijkse vakgebied is. De vijf aandachtspunten hierboven zijn niet ingewikkeld, en met de juiste mensen aan tafel, intern of extern, goed te organiseren. Een onafhankelijke blik op de zonering, de apparatuurkeuze en het EVD helpt om risico’s tijdig te zien en aan te pakken.